Ontwerpen II
Ontwerp Balatkas
Mijn totaalontwerp voor de Balatkas vertrekt vanuit de studie van licht, afgestemd op de specifieke noden van de bewoners. In de woning leeft een gezin van vier: twee ouders en twee jonge kinderen. De ouders zijn wetenschappers: een botanicus gespecialiseerd in de rubiaceae (koffieplanten) en een fotochemicus die de werking van licht onderzoekt in de chemische processen van fotografie.
De uitdaging om onder een erfgoedparel van Alphonse Balat te bouwen heb ik aangegrepen om hun professionele en persoonlijke levens te verweven met de architectuur.
De Balatkas functioneert in mijn ontwerp als het secundaire laboratorium van de vader, die onderzoek doet naar koffieplanten. Hij onderzoekt de koffieplanten onder invloed van licht, de planten zijn telkens in een andere lichtzone van de serre geplaatst. Zijn primaire laboratorium is de plantentuin zelf, waar er al meer dan 100 jaar onderzoek wordt gedaan naar de koffiefamilie. In het onderzoek is klimaatbeheersing essentieel: Koffieplanten vragen een stabiele temperatuur tussen 18°C en 24°C en verdragen geen directe hitte boven de 30°C. Daarvoor koos ik voor een leemkachel als centraal verwarmingselement. Leem geeft warmte traag en gelijkmatig af, waardoor temperatuurschommelingen worden afgevlakt en stress voor de planten wordt beperkt.
Belangrijk is dat deze warmtebron niet als “technisch apparaat” los in de ruimte staat, maar deel wordt van een energetische cyclus: de warmte van koken en stoken wordt gerecupereerd om de hele woning te verwarmen. Zo ontstaat een systeem dat aansluit bij de natuurlijke processen die de botanicus bestudeert.
De moeder heeft het volledige spectrum van licht en donker nodig. Haar werkruimte, de DOKA (donkere kamer), is daarom ondergronds geplaatst: het is een ruimte waar licht volledig kan worden buitengesloten. Die keuze maakt de DOKA niet enkel functioneel, maar ook conceptueel scherp: de DOKA wordt zo het tegenbeeld van de serre.
In het interieur werk ik met een beweegbaar paneel met een lichtbrekende stof. Dat element is tegelijk technisch en betekenisvol. Enerzijds kan het paneel meebewegen met de lichtnoden van de planten, zoals direct zonlicht filteren om verbranding te vermijden. Anderzijds verwijst de lichtbreking naar de fotografie: net zoals de moeder licht manipuleert via lenzen en filters, doet de architectuur dat via materiaal en positionering.
Specifieke aandacht ging naar de scheiding tussen publiek en privé. De toegang van de woning bevindt zich aan de zuidkant, waar de bezoeker of familie binnenkomt tussen de koffieplanten. Deze groene buffer fungeert als een visuele barrière: men ziet meteen bij binnenkomst het werk van de vader. De plek waar ze slapen en de badkamer is langs beide kanten omgeven door koffieplanten om de meest intieme plek van de woning afgeschermd te houden. Daarnaast is er een tweede in- en uitgang vanuit het leefgedeelte naar een afgeschermd deel van de tuin, wat de privacy van het gezin maximaliseert. Het privégedeelte van de tuin ligt boven de doka en in het verlengde ervan.
De connectie met de buitenwereld en de plek voor externe bezoekers gebeurt via een ondergrondse schacht, geïnspireerd op het Serpentine Gallery Pavilion van Peter Zumthor. Deze schacht, die als een boog rond de Balatkas loopt, creëert een serene en contemplatieve ruimte. Het binnenvallende licht weerkaatst op de expositiemuur en zet daar de werken van de vrouw in de kijker. Het is een directe verwijzing naar het technische aspect van fotografie, waarbij een beeld wordt gevormd door licht.
Bezoekers ervaren in deze schacht vooral de reflectie van de omgeving en het werk van de moeder. Ze kunnen het privéleven niet binnendringen: de woning beschermt zich. Zo wordt de schacht een filter tussen publiek en privé.
Voor de kinderen en het dagelijkse gezinsritme heb ik de indeling opgebouwd rond een lichtklok: een ruimtelijke organisatie die het pad van de zon gedurende de dag volgt, dit aan de hand van een organisch supermeubel. Het gezin leeft, op, onder en tussen het platform. Het platform creëert een grens tussen donker en licht, licht ervaar je pas als je het donker ook kan ervaren. Met het platform probeer ik dit weer te geven, onder het platform is alles donkerder dan erboven. Ochtendlicht activeert het huis in de keuken in het oosten. Het zuiderlicht ondersteunt spel, activiteit en de werkplek van de vader overdag. In de avond verschuift de leefkwaliteit naar de conversation pit, waar de laagstaande zon warmte en intimiteit brengt. Slapen gebeurt in het noorderlicht, waar de atmosfeer koeler en rustiger is. Het interieur wordt zo een choreografie van licht.
Tot slot positioneer ik mijn ontwerp tegenover ‘Ornament und Verbrechen van Adolf Loos’. Ik beargumenteer enkele keuzes die ik gemaakt heb:
- De Balatkas zelf is ornament en erfgoed; precies daarom laat ik haar als ornament bestaan, zonder ze te overstemmen met nieuwe, aangezette decoratie. Mijn nieuwe ingrepen vertrekken vanuit functionaliteit en eerlijkheid: ik blijf dicht bij de originele tuin en integreer de schacht als een “halve achthoek” in de aarde, zodat de historische context zoveel mogelijk behouden werd.
- Licht wordt het organiserende principe van mijn interieur, en zo ontstaat een immaterieel ornament.
- Ook het draaiende stoffen paneel is een bewuste keuze binnen die redenering. Het schaduwspel dat het veroorzaakt, is geen ornament dat “gemaakt” wordt om te versieren, maar een natuurlijk gevolg van een functionele handeling: het filteren en breken van licht. In die zin sluit het aan bij Loos’ idee dat bepaalde “ornamenten van de natuur” aanvaardbaar zijn, terwijl willekeurige menselijke decoratie dat niet is.
Conclusie
Mijn ontwerp verbindt de noodzaak licht voor de koffieplant met de noodzaak aan lichtbeheersing voor de fotografie en smelt zo samen tot een interieur dat meebeweegt met de zon. De woning is daardoor niet louter een onderdak, maar een actief instrument dat werk en leven ondersteunt voor dit gezin. En waarbij ik de oorspronkelijke laag (erfgoed) leesbaar wou houden.
Reflectie
Dit semester werkte ik aan een groepsanalyse van Haus neben der Schmiede (Walter Pichler) en aan een persoonlijk ontwerp voor een woning in de Balatkas.
In de groepsanalyse oefende ik in het leren kijken. De balatkas was de plek waar ik die manier van werken moest inzetten om zelf een concept te bedenken tot een woningontwerp.
We startten de groepsanalyse met 3, maar al snel viel de derde persoon uit wegens ziekte. De analyse maakte ik met één medestudent en dat was een sterke samenwerking. We verdeelden onze taken eerlijk, we kwamen meerdere keren samen, we werkten vaak op school en soms bij elkaar thuis. Wat ik sterk vond is dat onze samenwerking niet alleen ‘verdelen’ was, maar echt aanvullend. We bouwden verder op elkaars sterktes en leerden van elkaar. Ook inhoudelijk groeven we samen diep naar bronnen en interpretaties, wat het onderzoek voor ons echt boeiend maakte.
De maquette werd het moment waarop theorie realiteit werd. We maakten mallen en goten beton. Bij het ontmantelen kwamen er barsten. Dat was frustrerend, maar tegelijk een belangrijke les: ontwerpen is ook omgaan met materiaal, tegenslag verwerken en verantwoordelijkheid dragen. We zochten samen naar duurzame oplossingen en bekeken hoe we met het materiaal konden omgaan in plaats van meteen alles weg te gooien en opnieuw te beginnen. Wat mij bijblijft, is het gevoel van “samen dragen”: ook wanneer het spannend werd door deadlines en vermoeidheid, vonden we elkaar terug. We moedigden elkaar aan (met soms nachten doorwerken) en ik voelde me in het groepswerk nooit alleen. Dat gaf energie.
Net omdat het groepswerk zo goed liep, ben ik er ook te hard in opgegaan. Ik heb proportioneel te veel tijd in het gezamenlijke werk gestoken, waardoor mijn persoonlijke project meer onder druk kwam. Dat was een confronterend moment: ik leg mijn lat hoog en ik wil dat iets “klopt” tot in de details, maar ik bewaak niet altijd genoeg waar mijn tijd het meeste impact heeft. Hier wil ik echt in groeien.
In Balatkas was de weg naar het juiste concept boeiend maar ook uitdagend. Ik vond zelf dat ik relatief laat een concept had dat volledig matchte met wat ik wilde. Met mijn concept wou ik zoeken naar een brede conceptkeuze. Ik bedacht veel scenario’s en zocht telkens afstemming tussen licht, ruimte en de bewoners. Ik groei om breder te kijken, maar voel nog meer groeipotentieel.
De combinatie van ontwerpen op een site en een analyse doen van een huis hebben me veel bijgebracht. Door onderzoek te doen naar een huis, achterhaal je hoe een concept ontstaat voor een bepaald ontwerp. Walter Pichler wou een woning ontwerpen waarbij het echt zijn bedoeling was om de natuur te integreren en dat zie je in zijn materiaalgebruik, maar ook in de spouw. Je loopt als persoon onder de grond in de spouw die afgedekt is door grote rivierstenen waar toch nog een beetje licht door kan. Er ontstaat een belichaamde ruimte, je ervaart als persoon wat de architect wil bereiken met zijn ontwerp. Iets dat je eigenlijk enkel fysiek begrijpt.
Dit inspireerde me ook voor de Balatkas, bij het ontwerpen van de schacht. De schacht is een plek waar een mens het licht optimaal ervaart wanneer ze de resultaten van de fotografe bewonderen.
Ik ben vooral trots op mijn totaalconcept en lichtklok, op de schacht en op het werken met natuurlijke elementen. Ook het paneel met lichtbrekende stof past bij hoe ik graag ontwerp: eenvoudig, betaalbaar, betekenisvol en zonder complexe materialen: “eenvoud siert”. Daarnaast heb ik mezelf uitgedaagd om het erfgoed maximaal te respecteren. Waar ik eerst rond de volledige serre wou uitbouwen, ben ik er uiteindelijk in geslaagd om binnen de grenzen van de Balatkas te blijven en dat voelde tijdens mijn proces als geslaagde groei.
Ik haalde niet de eindmeet die ik voor ogen had: Ik betrapte mezelf er soms op dat ik beslissingen maakte vanuit stress. Later werd ik er wel mee geconfronteerd en kwam ik terug tot de essentie. ik had graag meer analyses uitgewerkt en een verfijndere maquette gehad (het paneel met lichtbrekende stof niet meer kunnen maken). Dat komt deels door mijn kwaliteitsdrang en detailbewustzijn. Het duidelijkste voorbeeld is de koepel: ik ben daar drie keer opnieuw aan begonnen omdat het niet goed genoeg voelde. Op dat moment leek dat logisch, maar achteraf zie ik dat ik daar te veel tijd aan verloren heb. Het gaat niet om “perfect”, maar om het moeilijk vinden om iets los te laten wanneer ik weet dat het beter kan.
Het was een ambachtelijk en leerrijk proces. Ik ben gegroeid in out-of-the-box denken, inspiratiebronnen zoeken en een concept vertalen naar een coherent geheel. Mijn belangrijkste les is prioriteren: eerst de brede lijnen sterk zetten, dan pas verfijnen. Ik wil bewuster werken met fasering: concept → analyses → representatie, tussentijdse deadlines en een 80/20-aanpak. Als ik mijn kwaliteitsdrang slimmer leer inzetten, kan ik mijn volgende projecten niet alleen conceptueel sterk maken, maar ook tot de eindmeet even sterk uitwerken zoals ik het in mijn hoofd zie.
Wenen